De Gulden

De benaming gulden komt van gulden florijn (gouden florijn) genoemd naar de Florentijnse munt fiorino d’oro. Daarmee is ook de herkomst verklaard van het sindsdien gebruikte valutateken ƒ of de letter f of de letters fl of hfl (Hollandse Florijn) voor de gulden.

In het hertogdom Geldern en het graafschap Vlaanderen werden na 1361 gouden munten geslagen, de zogenaamde Gouden Leeuwen (Gouden Leeuw), die ook wel leeuwenguldens worden genoemd, ondanks een gewicht van 4,25 g of 5,36 g en een van de Florene welke compleet ander muntbeeld had.

De munten van de hertogen van Bourgondië van het Huis Valois, die vanaf 1386 als erfgenamen van de Vlaamse graven gouden hadden een gewicht van 4,07 gram of 4,22 gram en hun eigen ontwerp, zijn ook geen guldens in strikte zin.

De eerste echte gouden guldens, in het Nederlands Florijn geheten, werden na 1378 geslagen door hertog Wilhelm I van Beieren-Straubing, die ook regeerde als graaf Wilhelm V. Holland (1350-1389).

Van 1467 tot 1489 lieten de hertogen van Bourgondië in Brabant de Andriesgulden, later ook Florin de Bourgogne genoemd, slaan volgens de toenmalige Rijnlandse muntkoers. Het Sint-Andreaskruis, dat er voor het eerst op verscheen, met zijn latere variant, het takkenkruis, bleef kenmerkend voor de Habsburgse munten tot het einde van het slaan ervan in Zuid-Nederland, het huidige België (1792/1800).

De verslechtering van de muntvoet werd in Nederland nog verder doorgedreven dan in het Rijnland. Soms was de toevoeging van zilver zo sterk dat het de goudtoon verdrong, zodat iedereen het kon zien. Goudguldens met een hoog zilvergehalte werden in de Nederlandse blauwe gulden ook wel blauwe guldens genoemd. In 1499, toen een Rijnlandse goudgulden nog op 20 stuivers werd berekend, hadden de Nederlandse gulden alleen de volgende waarden:

postulaat gulden
postulaat gulden

postulaat guldens van het bisdom Utrecht: 12½ stuivers (diameter 23mm, gewicht 3.34gr)

St. Martinusgulden Bisdom utrecht
1431
St. Martinusgulden Bisdom utrecht
1431

Arnold’s of ruitersgulden van het hertogdom Geldern: 10½ stuivers

Bisdom Luik Postulaatgulden
Bisdom Luik Postulaatgulden

de Horngulden, genoemd naar de bisschop van Luik Johan van Hoorn (1484–1506): 10 Stuivers

Meer over middeleeuwse munten is uitgebreid op deze site te vinden http://www.bonatiele.nl/FDETUK/frames-midden-medievalcoins15thcentury.html

Dit was de meest beruchte van allemaal, met slechts ongeveer 415 ‰ goud als dieptepunt. Als gevolg hiervan werd hoorngulden een algemene term voor inferieur goud, en hoorngoud was een term voor inferieur goud tot in de 18e eeuw.

De eerste Habsburgse heerser Philipp de Schone (1482/94-1506) liet vanaf 1496 in Brugge de naar zijn patroonheilige genoemde Philippus- of Brabantgulden slaan met een totaal gewicht van 3,259 g (71¾ op het Keulse merk) bij 16 karaat was toen boven de rest van de Nederlandse gulden; rond 1525 kreeg hij de beoordeling 25 Stuivers.

In de loop van de 16e eeuw steeg de florijn weer tot 28 stuivers toen de prijs van goud steeg en de prijs van zilver daalde. Bovendien bezat keizer Karel V vanaf 1517 de Karolusgulden ter waarde van 20 stuivers in goud (sinds 1521 de Carolus d’or of Gouden Carolus) fijn gewicht 2,12 g, maar snel teruggebracht tot 1,71 g bij 14 karaat en sinds 1543 geslagen in zilver (Carolus d’argent of Zilveren Carolus). Hierdoor werden beide waarden wisselgulden, die in de 17e eeuw op hun beurt als zilveren munten werden geslagen.

In 1694 vond de generaliteitsgulden zijn intree . Deze voorgaande gulden hadden geen decimaal stelsel en hadden dus ook een andere waarde . Pas in 1816 werd het decimale stelsel ingevoerd en was de Nederlandse gulden onderverdeeld in 100 cent .Dit is zo gebleven tot 2002 .(Uiteraard is de munt qua beeltenis , gewicht en materiaal aangepast aan de verschillende regerende vorsten ) De invoering van de euro was een feit en de gulden werd als wettig betaalmiddel afgeschaft .

Gewichten en maten

Onder Willem I werd de munt van 1818 30.5 mm, 1819-1827 30mm groot, 10,766 gram en 893% zilver.
Vanaf Willem I en II vanaf 1840 werd de munt 28 mm, 10 gram en 94,5% zilver.
Later vanaf Juliana zijn er van 1854 tot 1967 de zilveren guldens 25mm, 6.5gr en 72% zilver.

hoeveelheid zilver in de Nederlandse gulden:

1694: 1 generaliteitsgulden = 10,61 gram (ca. 9,6 gram fijn zilver);
1816: 1 gulden = 10,766 gram zilver, gehalte 893/1000 (9,61 gram fijn zilver);
1839: 1 gulden = 10 gram zilver, gehalte 945/1000 (9,45 gram fijn zilver);
1919: 1 gulden = 10 gram zilver, gehalte 720/1000 (7,2 gram fijn zilver);
1954: 1 gulden = 6,5 gram zilver, gehalte 720/1000 (4,68 gram fijn zilver)
1967: De zilveren gulden wordt vervangen door een nikkelen gulden van 6 gram.

Standpenningen, tekenmunten en pasmunten

Munten, die tot elk bedrag als betaling moeten worden aangenomen. Onze muntwet kent als standpenningen : het gouden tientje, het gouden vijfje, den rijksdaalder, den gulden en den halven gulden.
Het kleine zilvergeld is pasmunt. Wij hebben dus gouden en zilveren standpenningen en hieruit zou volgen (zie gouden standaard), dat wij den dubbelen standaard hebben. Toch is dat niet het geval, want wel zijn de gouden munten vrij aan te munten, doch de zilveren niet. Wij hinken dus op twee gedachten: Gouden en zilveren munten zijn wettig betaalmiddel tot elk bedrag en toch is de aanmunting van zilveren munten niet vrij. Wij hebben daarom wat men noemt: den hinkenden standaard. Feitelijk zijn dan ook de rijksdaalder, de gulden en de halve gulden geen echte standpenningen; doch slechts teekenmunten, d.w.z. de waarde ervan wordt niet bepaald door het gehalte aan zilver, dat de munt bevat, doch door het waardeteeken dat erop gestempeld is.

Rekenpenning

Zoals de naam al doet vermoeden, werden rekenpenningen gebruikt om mee te rekenen, zowel in de dagelijkse handel als in rekenkamers waar de financiële controle werd uitgevoerd op rekeningen van landelijk belang.
Het ontstaan van rekenpenningen vindt zijn oorsprong in een tijd waarin weinig mensen konden rekenen. De weinigen die de kunst van het rekenen wel beheersten, rekenden bovendien met Romeinse cijfers, wat geen eenvoudige klus was. Daarbij was kladpapier voor het maken van berekeningen schaars. Als oplossing voor deze problemen werden op houten tafels met richels rekenpenningen gebruikt volgens het principe van een telraam. De belangrijkste leverancier van rekenpenningen voor particuliere doeleinden, was de stad Neurenberg in Duitsland. In de Noordelijke Nederlanden bevonden zich echter eveneens munthuizen waar rekenpenningen werden vervaardigd, zo ook in Dordrecht. De penningen waren in de winkels per pond te koop. Vooral plaatselijke instellingen maakten hiervan gebruik. Meer over de rekenpenning jetons en tokens is in deze links te vinden.

Eenheden en muntstelsels

1 gulden, florin (f)       = 20 stuiver = 20 patards (st) = 20 sous = 20 Sols = 80 oord = 160 duiten
1 pond, livre (lb)          = 20 schellingen, 20 sous (s)  = 240 penningen
Voor de Overijsselse stedemunten gold:
1 Rijnlandse gulden      = 20 Stichtse stuivers = 40 halve Stichtse stuivers (butkens) = 80 oirtkens = 160 plakken = 320 halve plakken = 640 duythmers.

1 gulden is meestal 40 groten
1 gulden is dus ongeveer 2 Franc.
1 Nederlandse Gulden was 1 Schilling 10 Ducaton
1 gulden Luiks             = 80 oord*

*Vaak werden oordjes per 80(stuks) verpakt in een rol (lok) en kreeg het zo de waarde van één gulden Luiks.
Deze rolletjes gingen dan van hand tot hand zonder te worden uitgepakt.

In Nederlandse teksten van vóór 1816 vindt men dus wel bedragen als ƒ 10-12-4, ofwel 10 gulden, 12 stuivers en 4 duiten.

Kantschrift

God zij met ons – De geschiedenis
De kortere Nederlandse tekst “DE NAAM DES HEEREN ZY GELOOFD” stond al in 1808 op de Nederlandse gulden, maar pas bij de aanname van de Muntwet van 28 september 1816 werd “God zij met ons” als het officiële randschrift voor de Nederlandse gulden in gebruik genomen. In deze muntwet staat: “Gemelde stukken zullen gemunt worden in den ring met een rand van ingedrukte letters, bevattende de woorden: God zij met ons”. Six van Oterleek, die indertijd minister van financiën was, had graag de volledige Latijnse brontekst “Si deus nobiscum quis contra nos”  (“Zo God met ons is, wie zal tegen ons zijn” – Romeinen 8 vers 31) gebruikt, maar dit bleek niet op de gulden te passen.

De tekst is onder Wilhelmina wat aangepast. Zie hieronder.

kantschrift
kantschrift

Ophef in 1953

Ophef in 1953 Guldens zonder God zij met ons De Volkskrant 23-04-1953 Delpher

In 1953 ontstond enige ophef nadat er berichten in de Volkskrant waren verscheen dat de spreuk God zij met ons voortaan niet meer op nieuwe guldens en rijksdaalders zou verschijnen. Dit omdat men de munten iets dunner wilde maken, waardoor het technisch lastig werd om de spreuk te handhaven. Met name vanuit katholiek Nederland kwamen er felle protesten en werd gepleit voor behoud van de randspreuk. Uiteindelijk bleef de randspreuk gehandhaafd.

Muntbiljetten

Hoewel de muntbiljetten van 1 gulden uit 1943 (Wilhelmina, Mevius 6) en uit 1949 (Juliana, Mevius 7) na de herintrede van de zilveren gulden in 1956 reeds lang in onbruik waren geraakt, zijn ze officieel nooit ingetrokken. Pas in 1987 heeft Staatssecretaris van Financien Koning besloten tot intrekking van de oude muntbiljetten van 1 en 2½ gulden. Er zouden op dat moment nog 13 miljoen gulden aan muntbiljetten in omloop zijn. Tot 1 oktober 1987 kon nog met deze biljetten worden betaald en tot 1 april 1988 konden de biljetten tegen vergoeding worden ingewisseld bij de kantoren van de Nederlandsche Bank.

(Voormalige) koloniën

Nederlands-Indië had zijn eigen gulden. Deze bestond tot 1949. In dat jaar werd de Nederlands-Indische gulden door de Indonesische roepia vervangen. Op 30 maart 1950 werd de Nederlands-Nieuw-Guineese gulden ingevoerd.

In Suriname bestond tot 1 januari 2004 de Surinaamse gulden. Sinds de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 verminderde de waarde van de Surinaamse gulden sterk. Daarom besloot de Surinaamse regering de Surinaamse gulden door de Surinaamse dollar te vervangen.

In de voormalige Nederlandse Antillen was de Antilliaanse gulden de munteenheid, gekoppeld aan de Amerikaanse dollar. Curaçao en Sint Maarten zijn sinds 10 oktober 2010 autonome landen, in deze landen zal de Antilliaanse gulden worden vervangen door de Caribische gulden. In Aruba, waar tot 1986 ook met de Antilliaanse gulden werd betaald, is deze vervangen door de Arubaanse florin. De BES-eilanden (tegenwoordig bijzondere gemeentes van Nederland) gebruikten de Antilliaanse gulden totdat op 1 januari 2011 de Amerikaanse dollar de officiële munteenheid werd.

De indeling uit 1818 in cent, stuiver, dubbeltje, kwartje, gulden, rijksdaalder, tientje werd ingevoerd op advies van J.H.van Swinden. Deze advocaat van het tientallig stelsel bracht op 2 december 1815 op 73 pagina’s advies uit aan koning Willem I met als titel Bedenkingen over het muntwezen.

Het einde van de Gulden

De gulden wacht op de wokkelmachine.

Van de 6 miljard guldenmunten die ooit zijn geslagen, zijn er zeker 3 miljard zoekgeraakt. Gewoon verdwenen. In rioolputjes, in de voering van j assen, richting het buitenland en noem maar op. Veel kleingeld in ieder geval, al snel goed voor een waarde van 200 miljoen gulden.

Per 1 januari 2007 zijn de munten ook in ongeschonden vorm niets meer waard. Het ingezamelde geld wordt ontwaard via een wokkelmachine en gaat richting de metaalindustrie . Naar de smeltkroes, inderdaad.

1976 gulden wokkel
1976
1976 gulden wokkel
1976

Meer over het afscheid van de gulden is hier te vinden.


Ga direct naar :

Provinciale munten

Koninkrijk munten

Overige interessante links :

DE KROON OP DE LEEUW IN HET NEDERLANDSE WAPEN